MOLENBIOTOOP
Geef molens de ruimte
 
 
Molen De Korenbloem te Middelharnis; ABRvS 11 december 2002

Volledige uitspraak: LJN AF1757

Relevante gegevens:

GS hebben het bestemmingsplan ‘Westplaat/wijziging regeling molenbiotoop’ goedgekeurd. Met het plan wordt beoogd de regeling voor de molenbiotoop van molen ‘De Korenbloem’ te wijzigen van een zg. 1:100 regeling in een 1:50 regeling. Daarnaast wordt een 1:30 regeling mogelijk gemaakt door middel van een vrijstellingsbevoegdheid. Hiermee wordt beoogd de toegestane hoogtes van bouwwerken en beplanting ter plaatse te vergroten.

Vereniging ‘Vrienden van de Korenbloem’ komt daartegen in beroep en stelt dat GS ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan deze bepaling op de volgende gronden:

  • als gevolg van de vrijstellingsbevoegdheid zal de windvang en de zichtbaarheid van de molen in belangrijke mate zal afnemen.
  • de molen zal gedurende 40 tot 50% van de tijd stilstaan als gevolg van onvoldoende windvang.
  • de voorwaarden die aan gebruikmaking van de vrijstellingsbevoegdheid worden gesteld bieden geen zekerheid omtrent een zorgvuldige belangenafweging. De vereniging eist als voorwaarde voor gebruikmaking van de vrijstellingsbevoegdheid dat het advies van de vereniging ‘De Hollandsche Molen’ bindend zal zijn.

Oordeel ABRvS:

Het beleid van B&W acht de Afdeling niet onredelijk.

Terwijl op grond van de nota Planbeoordeling van de provincie in dit geval zonder vrijstelling de hoogte van bebouwing/beplanting niet meer dan 1/30 hoger mag zijn dan de afstand tussen bebouwing/beplanting en de molen, gemeten vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek, geldt een dergelijke maximumhoogte in het plangebied pas na gebruikmaking van de vrijstellingsbevoegdheid door B&W. Daarmee wordt meer tegemoet gekomen aan het belang van bescherming van de molen dan op grond van het provinciale beleid is voorgeschreven.

Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat in de omgeving van de molen al bestaande bebouwing en begroeiing aanwezig is met een hoogte die vergelijkbaar is met de maximaal toegestane hoogte van bebouwing die totstandkomt na gebruikmaking van de vrijstellingsbevoegdheid. Mede op grond daarvan is de Afdeling van mening dat niet aannemelijk is dat als gevolg van bebouwing die totstandkomt na gebruikmaking van de vrijstellingsbevoegdheid de windvang en de zichtbaarheid van de molen in belangrijke mate zullen afnemen.

Tenslotte oordeelt de Afdeling dat - nu B&W o.g.v. de Wet op de Ruimtelijke Ordening een zelfstandige afweging moeten maken bij gebruikmaking van de aan hen toekomende vrijstellingsbevoegdheid - het advies van de vereniging ‘De Hollandsche Molen’ niet bindend kan zijn.

 

Terug naar vorige pagina