MOLENBIOTOOP
Geef molens de ruimte
 
 
Haastrechtse molen; ABRvS 22 mei 2002

Vindplaats: LJN AE2786 (zie www.rechtspraak.nl)

Relevante gegevens:

Hoogheemraadschap Krimpenerwaard eist o.b.v. de Keur dat een rij platanen worden getopt, of geheel worden verwijderd, omdat deze een bedreiging vormen voor de vrije windvang van de Haastrechtse molen. De bomen zijn hoger dan is toegestaan volgens de door het hoogheemraadschap gehanteerde formule, aan de hand waarvan de maximaal toelaatbare hoogte van de beplanting in een straal van 100 tot 400 meter om de molen is berekend.

De rechtbank Rotterdam vindt het niet begrijpelijk dat het hoogheemraadschap de bepaling, die uit een ver verleden stamt, niet heeft aangepast aan de gewijzigde omstandigheden, dan wel niet veel eerder van de bepaling gebruik heeft gemaakt. Zij heeft ook kritiek op het feit dat het hoogheemraadschap zich beroept op een formule, die nergens - in ieder geval niet in de keur - eerder is vastgelegd en dus ook niet bij betrokkenen bekend heeft kunnen zijn. Omdat de platanen er al vanaf 1985 staan en het hoogheemraadschap de situatie dus al lange tijd heeft gedoogd, is het volgens de rechtbank in beginsel - wil de aanschrijving nog acceptabel zijn - niet onredelijk dat daar een compensatie tegenover wordt gesteld.

Naar haar oordeel heeft het hoogheemraadschap ook nagelaten de wijziging van het aanschrijvingsbeleid in voldoende mate openbaar te maken. Onduidelijk is volgens de rechtbank ook het aandeel van de bomen in het belemmeren van de windvang in relatie tot de overige bomen en bouwwerken in de directe omgeving van de molen, zodat het hoogheemraadschap ook in die zin in redelijkheid niet tot de aanzegging van bestuursdwang heeft kunnen komen. Tenslotte blijkt uit de aanschrijvingen van het hoogheemraadschap in onvoldoende mate wat van betrokkenen concreet wordt verwacht.

Oordeel ABRvS:

In hoger beroep oordeelt de Afdeling dat voldoende aannemelijk is geworden dat het hoogheemraadschap betrokkenen, vanaf het moment dat is waargenomen dat de bomen te hoog zouden worden, herhaalde malen schriftelijk en mondeling heeft gewezen op strijd met de desbetreffende bepaling van de Keur. Dat hij er eerst geruime tijd later toe is overgegaan om een aanschrijving te doen uitgaan, betekent volgens de Afdeling niet dat het hoogheemraadschap daarom niet meer alsnog kon optreden; het tijdstip van handhaving hing samen met de in de betreffende periode toegenomen aandacht van waterschappen voor calamiteitenscenario’s, waaronder de mogelijkheid om in het geval van stroomuitval windkracht te kunnen inzetten voor het afwateren van de polders.

Aangezien het hoogheemraadschap onweersproken heeft gesteld dat ook m.b.t. andere beplanting of bouwwerken in de omgeving die niet voldeden aan de maximaal toegestane hoogten maatregelen zijn genomen, kon  volgens de Afdeling dan ook niet staande worden gehouden dat het hoogheemraadschap willekeurig handelde.

M.b.t. de kenbaarheid van de gehanteerde formule merkt de Afdeling op dat deze blijkens de stukken een terzake algemeen gebruikelijke berekeningsmethode is. Van belang is voorts dat de formule voor betrokkenen gunstiger is dan de desbetreffende bepaling van de Keur op dit punt, die voor iedereen voldoende kenbaar was.

Tenslotte was volgens de Afdeling voldoende duidelijk wat concreet diende te geschieden.

 

 

Terug naar vorige pagina