MOLENBIOTOOP
Geef molens de ruimte
 
 
Molen De Otter te Amsterdam; ABRvS 30 mei 2007

Volledige uitspraak: LJN BA6020

Relevante gegevens:

Dagelijks Bestuur (DB) van Stadsdeel Westerpark heeft geweigerd een monumentenvergunning te verlenen aan Stichting Houtzaagmolen De Otter om deze paltrokmolen te verplaatsen naar industrieel erfgoedpark De Hoop te Uitgeest. Het stadsdeel voert daarbij aan dat de molen en de bijbehorende loodsen een belangrijke cultuurhistorische waarde hebben die onlosmakelijk is verbonden met de huidige locatie aan de Kostverlorenvaart en dat diverse ruimtelijke ontwikkelingen weliswaar het windklimaat rondom het molencomplex hebben verslechterd, maar niet zodanig dat de molen niet als functionerend monument op deze locatie kan worden behouden. De rechtbank Amsterdam oordeelt dat het stadsdeel in redelijkheid kon besluiten de vergunning te weigeren. (zie LJN AY6699).

De stichting gaat in hoger beroep en voert daarbij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het dagelijks bestuur bij haar besluitvorming meer waarde heeft mogen toekennen aan de onderzoeksrapporten van Peutz dan aan het advies tot verplaatsing van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ). Zij betoogt dat de bestuurlijke vrijheid van het DB niet zo ver strekt dat zij het advies van de RDMZ, zonder afdoende motivering naast zich neer mag leggen en dat zij de belangen van de eigenaar van het monument verdergaand mag beperken dan ter bescherming van het monument noodzakelijk is. Bovendien heeft de rechtbank miskend dat het monumentale belang niet alleen is gelegen in de situering van de molen aan de Kostverlorenvaart in Amsterdam West en in de cultuurhistorische context van deze locatie maar ook in het behoud van de molen als werkend monument. De stichting betwist dat uit de onderzoeksrapporten van Peutz kan worden afgeleid dat de molen op de oorspronkelijke plaats thans nog als werkend monument kan functioneren.

Oordeel ABRvS:

De rechtbank heeft onvoldoende onderkend dat het DB bij zijn besluitvorming tot uitgangspunt diende te nemen, de aanvaardbaarheid, uit het oogpunt van het behoud van het monument, van de wens van de eigenaar om de molen te verplaatsen. Het DB dient op basis van zorgvuldig onderzoek deugdelijk te motiveren waarom verplaatsing niet toelaatbaar is. Daarbij komt grote betekenis toe aan het o.g.v. de monumentenwet verplichte advies van de RDMZ, die bij uitstek deskundig is en ook betrokken is geweest bij de aanwijzing van de molen als rijksmonument en bij de restauratie van de molen.

Voorts heeft de rechtbank ten onrechte van betekenis geacht dat ten tijde van de aanwijzing als beschermd monument de molen geen wieken had en destijds in het geheel niet kon draaien en zagen. De aanwijzing strekt immers mede tot behoud van het monument voor de toekomst. Daartoe is de molen met rijkssubsidie gerestaureerd, voorzien van wieken en in maal- en zaagvaardige staat gebracht en gehouden. Mede gelet op dat beleid, strekt de aanwijzing als rijksmonument thans tot bescherming van de molen als werkend monument.

Het DB heeft in redelijkheid aan de situering van de molen aan de Kostverlorenvaart grote betekenis mogen toekennen. Daartegen moeten echter andere zwaarwegende belangen, te weten het behoud van de molen als werkend monument, worden afgewogen. De rechtbank heeft dit belang onvoldoende in haar beoordeling betrokken. Dit geldt in het bijzonder de vraag of door het DB afdoende is onderzocht of, gelet op de na de realisering van de hoogbouwprojecten in werkelijkheid rond de molen ontstane windsituatie, de molen op de oorspronkelijke plaats nog als werkend monument kan functioneren.

De Afdeling ziet geen grond te twijfelen aan de kwaliteit van het door Peutz verrichte theoretische onderzoek. Niettemin kan in de praktijk wel twijfel ontstaan of de resultaten overeenkomen met de complexe feitelijke windsituatie ter plaatse. Naar het oordeel van de Afdeling had het DB dan ook aanleiding moeten zien om te laten onderzoeken of, gegeven de thans gerealiseerde bebouwing rond de molen, de hoeveelheid en de kwaliteit van de wind die de molen bereikt nog voldoende is om de voor het behoud van de molen als werkend monument noodzakelijke jaarlijkse draai- en zaaguren te realiseren.

 

Terug naar vorige pagina