MOLENBIOTOOP
Geef molens de ruimte
 
 
Molens Kinderdijk; ABRvS 13 april 2005

Volledige uitspraak: LJN AT3699

Relevante gegevens:

Beroep tegen afwijzing vergunning voor standplaats met marktkraam voor de verkoop van souvenirs, ijs, frisdranken, versnaperingen, popcorn, suikerspin, patat frites, snacks en vis, alsmede voor het maken van foto's in klederdracht in molengebied Kinderdijk.

B&W hebben de weigering als volgt gemotiveerd: het voorkomen van geur-, afval- en stankoverlast, met welke overlast bovendien afbreuk zal worden gedaan aan het representatieve karakter van het molengebied, en voorts het beleid om in het gebied, dat de bestemming ‘Beschermd Natuurgebied’ heeft en vanwege de bekende negentien molens met bijbehorende waterstaatkundige werken is opgenomen op de werelderfgoedlijst van de Unesco, geen wezensvreemde activiteiten toe te staan die de uitstraling en rust van het gebied aantasten.

Oordeel ABRvS:

Aan B&W komt bij het nemen van een dergelijk besluit een ruime beoordelingsmarge toe.

Volgens de Afdeling konden B&W in redelijkheid tot de weigering van de standplaatsvergunning komen. Het betoog dat de door B&W genoemde landschappelijke en cultuurhistorische belangen in andere wettelijke regelingen bescherming vinden, brengt daarin geen verandering, nu -gelet op de APV- B&W het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving aan het besluit ten grondslag mocht leggen.

De omstandigheid dat appellant van mening is dat ter plekke geen sprake is van een bijzondere cultuurhistorische waarde en dat, mocht deze wel aanwezig zijn, daarop door hem met zijn kleine, onopvallend geplaatste kraam die bovendien slechts in de helft van het jaar (het seizoen) wordt betrokken, geen inbreuk wordt gemaakt, brengt de Afdeling niet tot een ander oordeel. Hetzelfde geldt voor zijn verschil van mening met B&W over de overlast die zijn activiteiten zouden veroorzaken en over de weging van de door het college genoemde belangen ten opzichte van zijn persoonlijke belangen en de, naar hij stelt, aanwezige belangen van bestrijding van de werkloosheid en ondersteuning van het economisch beleid van de regering.

Hetgeen verder is aangevoerd leidt evenmin tot een ander oordeel. De Afdeling noemt in dit verband onder meer het betoog dat de Blokweerschekade niet tot het eigenlijke molencomplex behoort en dat niet is gebleken en door de gemeente nog steeds niet is bewezen dat het gehele molengebied als zodanig op de Unesco-lijst staat, de door appellant genoemde redenen voor de gemeente tot plaatsing van de molens op die lijst en de stelling van appellant dat de gemeente gedoogt dat auto's van sponsors van het onderhoud van de Wipmolen ter plaatse staan geparkeerd.

(Nb. Deze zaak schijnt ongeveer jaarlijks te spelen, zie ook uitspraak ABRvS 21 december 2005)

 

Terug naar vorige pagina