MOLENBIOTOOP
Geef molens de ruimte
 
 
Molen Jan van Cuijk te Cuijk; ABRvS 8 september 2004

Volledige uitspraak: LJN AQ9956

Relevante gegevens:

Beroep ingesteld door molenaar tegen verlening van een vergunning in het kader van de Wet milieubeheer voor een constructiebedrijf. De molenaar voert in aansluiting op eerder bij de gemeente ingediende zg. ‘bedenkingen’ aan dat de functionaliteit van de molen vermindert, omdat de molen dreigt te worden omringd door bebouwing en wijst ook op de monumentale status en de belevingswaarde van de molen. In dit beroep brengt de molenaar voor het eerst ook gezondheidsaspecten ter sprake.

Oordeel ABRvS:

Nu de gezondheidsaspecten voor het eerst in het beroep aan de orde worden gesteld, wordt het beroep in zoverre niet ontvankelijk verklaard.

De molenaar heeft aangevoerd dat in casu niet voldaan wordt aan de in de uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG opgenomen minimale afstand tussen het constructiebedrijf en de molen. Deze uitgave is echter slechts een hulpmiddel voor de categorisering van bedrijven en bevat geen normen voor beoordeling van vergunningen. Verder is aangevoerd dat het oprichten en vestigen van een constructiebedrijf gevaar en hinder oplevert voor de monumentale molen, aangezien de molen is kwetsbaar voor geur, stoffen en brandgevaar. De Afdeling oordeelt hieromtrent dat  gezien de aard van de activiteiten en nu deze activiteiten binnen plaatsvinden, B&W zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de in de vergunning opgenomen voorschriften toereikend zijn en dat voor aantasting van de molen door stof, geur en brandgevaar niet behoeft te worden gevreesd

M.b.t. het betoog dat de molen door de aanwezigheid van het bedrijfsgebouw omringd dreigt te worden door bebouwing waardoor de belevingswaarde afneemt en er tevens sprake is van verslechtering van de windvang van de molen, overweegt de Afdeling dat deze aspecten in eerste instantie dienen te worden beoordeeld in het kader van de planologische regelgeving. In het kader van de Wet milieubeheer is hierbij ruimte voor een aanvullende toets. De Afdeling constateert dat de molen is gelegen op een industrieterrein en rondom de molen bebouwing en enkele hoge bomen aanwezig zijn. Gelet hierop en nu niet aannemelijk is geworden dat de aanwezigheid van het bedrijfsgebouw van de onderhavige inrichting de windvang van de molen in aanmerkelijke mate beperkt dan wel de belevingswaarde van de molen vermindert, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de vergunning hierom geweigerd had moeten worden dan wel nadere voorschriften hadden moeten worden gesteld.

 

Terug naar vorige pagina