MOLENBIOTOOP
Geef molens de ruimte
 
 
(toekomstige) Molen te Vlieland; ABRvS 11 februari 2004

Volledige uitspraak: LJN AO03365

Relevante gegevens:

GS van Friesland weigeren goedkeuring van bestemmingsplan ‘Buitengebied’, waarin onder meer de bestemming ‘Molen’ is opgenomen voor de bouw van een molen waarvoor in 1996 met toepassing van artikel 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling en bouwvergunning is verleend. De molen is nog niet gebouwd. GS stelt dat er inmiddels nieuwe (beleids)inzichten zijn, die met zich brengen dat niet op voorhand kan worden ingestemd met de bestemming en verwijst in dat kader naar het structuurplan ‘Visie voor Vlieland’ (2001) waarin geen nadere afweging t.a.v. de molen is gemaakt. Verder stelt GS dat geen ecologisch onderzoek is uitgevoerd waaruit blijkt of sprake is van significante ecologische effecten voor het Vogel- en Habitatrichtlijngebied waarin de molen zal worden gebouwd. Voorts is niet aangegeven of de realisering van de molen uitvoerbaar is in het kader van de Flora- en faunawet en vanwege de ligging van de molen buiten het dijkringgebied.

Volgens B&W van Vlieland is de molen niet meer bij de opstelling van het structuurplan betrokken omdat het structuurplan betrekking heeft op toekomstig beleid. Voorts blijkt uit een zg. voortoets o.g.v. de Vogel- en Habitatrichtlijn en Flora- en faunawet dat de bouw van de molen niet leidt tot storende factoren met een significant effect, zodat de Flora- en faunawet niet aan de uitvoerbaarheid van het plandeel in de weg staat. Verder hebben B&W goede hoop dat de bouw van de molen niet op bezwaren zal stuiten bij Rijkswaterstaat.

Daarbij wijzen B&W er nog op dat GS bij de beoordeling van de bestemming voor de uitbreiding van de begraafplaats, eveneens in hetzelfde gebied, een ander (positiever) standpunt heeft ingenomen t.a.v. de toetsing aan de Flora- en faunawet en de Wet beheer rijkswaterstaatswerken.

Oordeel ABRvS:

Het standpunt van B&W dat de bouw van de molen in het gemeentelijke structuurplan ‘Visie op Vlieland’ niet als nieuwe ruimtelijke ontwikkeling is beschreven omdat de bouwvergunning voor de molen enkele jaren daarvoor was verleend, komt de Afdeling niet onaannemelijk voor.

Ter zitting is onweersproken gesteld dat B&W in het kader van de totstandkoming van het ontwerpplan een onderzoek naar de natuurwaarden hebben uitgevoerd. Uit het door GS genomen besluit tot onthouding van goedkeuring blijkt niet dat GS dit onderzoek bij zijn besluit heeft betrokken. Evenmin blijkt daaruit dat GS, anders dan is gebeurd t.a.v. de bestemming voor de uitbreiding van de begraafplaats, aan B&W heeft verzocht om overlegging van onderzoeksgegevens, ten aanzien van de natuurwaarden op de gronden met de bestemming ‘Molen’.

Verder had het op de weg van GS gelegen - die in 1996 nog medewerking verleende aan het bouwplan voor de molen door verlening van een verklaring van geen bezwaar - te motiveren waarom B&W een verdergaand onderzoek naar te beschermen planten- en diersoorten dienden uit te voeren dan is gedaan. Daarbij acht de Afdeling nog van belang dat voor het bouwplan een onherroepelijk geworden bouwvergunning is verleend en dat het niet opnemen van de bestemming ‘Molen’ in het plan niet tot gevolg heeft dat van die vergunning geen gebruik meer kan worden gemaakt.

De terreinen voor de molen en de uitbreiding van de begraafplaats liggen beide op gronden die deel uitmaken van de primaire waterkering. GS hebben niet gemotiveerd waarom zij niet uitsluiten dat de Wet beheer rijkswaterstaatswerken mogelijk aan de uitvoerbaarheid van de bestemming ‘Molen’ in de weg staat, terwijl zij de vergunningplicht op grond van deze wet niet als belemmering hebben gezien voor de realisering van de uitbreiding van de begraafplaats.

Gezien het bovenstaande oordeelt de Afdeling dat de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming ‘Molen’ niet op een deugdelijke motivering berust en in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

 

Terug naar vorige pagina