MOLENBIOTOOP
Geef molens de ruimte
 
 
Molen Vrede en Hoop te Breda; ABRvS 17 december 2003

Volledige uitspraak: LJN AO0244

Relevante gegevens:

Stichting Vrienden van molen Vrede en Hoop stelt dat GS van Noord-Brabant ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan bestemmingsplan ‘Princenhage’ voorzover daarin geen molenbeschermingszone is opgenomen en voorzover in de directe omgeving van de molen gebouwen met een bouwhoogte van meer dan 28 meter kunnen worden opgericht. Volgens haar kan de belevingswaarde van de molen niet afdoende worden beschermd door de mogelijkheid van het stellen van nadere eisen door B&W.

De gemeenteraad van Breda stelt dat er geen recht tot opneming van een molenbeschermingszone in een bestemmingsplan bestaat, maar dat dit ter keuze aan de gemeenteraad is. Hiertoe is niet besloten, omdat de Monumentenwet bescherming biedt voor de molen als gebouw en omdat de windvang van de molen in het plan zou worden gewaarborgd.

GS vindt het stelsel, waarmee de maximale hoogte van gebouwen in de directe omgeving van de molen kan worden bepaald, aanvaardbaar en stelt dat het plan in de omgeving van de molen geen hogere bebouwing mogelijk maakt..

Niet in geschil is dat de molen een waardevolle historische betekenis heeft. Het gemeentelijk beleid is erop gericht de molen voor het karakteristieke dorpsgezicht van Princenhage te behouden en de molen in volle glorie te herstellen. Zowel de gemeente als GS erkennen dat een vrije windvang verzekerd dient te zijn om het voortbestaan van een maalvaardige molen te kunnen waarborgen.

Oordeel ABRvS:

De Afdeling is van oordeel dat de in het plan opgenomen regeling (via hoogtebepalingen in de bebouwingsvoorschriften behorende bij de diverse bestemmingen, soms in samenhang met een aanduiding op de plankaart) zo onoverzichtelijk is dat deze als rechtsonzeker moet worden aangemerkt. Aangezien de noodzaak van de bescherming van de vrije windvang van de molen niet in geschil is, ziet de Afdeling niet in waarom van het daadwerkelijk opnemen van een molenbeschermingszone op de plankaart met bijbehorende voorschriften zou moeten worden afgezien en acht het plan in zoverre in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

De Afdeling overweegt nog het volgende. Blijkens de plankaart kan bebouwing worden opgericht met een maximale bouwhoogte van 28 meter. Voorts kan vrijstelling worden verleend van de maximale hoogtematen met ten hoogste 10 procent. Met toepassing van deze vrijstellingsmogelijkheid kan bebouwing worden opgericht met een hoogte van 30,8 meter. Blijkens de stukken zal bebouwing met deze hoogte de vrije windvang kunnen belemmeren. Gezien de door verweerder erkende waarde van de molen en het belang om de molen in gebruik te nemen, is de Afdeling van oordeel dat GS met deze mogelijkheid, bij de belangenafweging in het kader van een goede ruimtelijke ordening, niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen.

De stelling van GS dat het, gelet op de bouwplannen, niet waarschijnlijk is dat van de vrijstellingsmogelijkheid gebruik wordt gemaakt, onderschrijft de Afdeling niet. GS dient in de bestemmingsplanprocedure de mogelijkheden te beoordelen die het plan biedt; een mogelijk bouwplan kan in dit kader niet bij de beoordeling van het plan worden betrokken.

 

Terug naar vorige pagina