MOLENBIOTOOP
Geef molens de ruimte
 
 
Molen De Otter te Amsterdam; ABRvS 3 december 2003

Volledige uitspraak: LJN AN9254

Relevante gegevens:

Beroep van vereniging De Hollandse Molen tegen het besluit van GS Noord Holland betreffende goedkeuring van het bestemmingsplan ‘Marcanti-eiland’. Zij stelt o.a dat GS het plan ten onrechte heeft goedgekeurd voorzover hierin hoogbouw tot een hoogte van 50 meter wordt toegestaan, aangezien de voorziene hoogbouw een onaanvaardbare negatieve invloed zal hebben op de windsituatie bij houtzaagmolen De Otter en dientengevolge op de bedrijfsvoering van de molen. Volgens de vereniging zijn bij het uitgevoerde onderzoek verkeerde uitgangspunten en randvoorwaarden gehanteerd. Bovendien wordt volgens haar te veel met kleine deelbesluiten en ad hoc-beslissingen gewerkt waardoor een totaalvisie op de omgeving ontbreekt. Zij wenst een nieuw onderzoek waarbij de te gebruiken methodiek zal worden vastgesteld in overleg o.a. met  een deskundige van de Technische Hogeschool Delft, de molenaar en de vereniging zelf.

Volgens GS zijn de gevolgen van de geprojecteerde hoogbouw op de omgeving voldoende en op zorgvuldige wijze onderzocht en is de conclusie gerechtvaardigd, dat het opnemen in het bestemmingsplan van een woontoren van 50 meter hoog geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor dit gebied

Oordeel ABRvS:

Houtzaagmolen De Otter bevindt zich op een afstand van ongeveer 250 meter van de in het bestemmingsplan voorziene hoogbouw, de zg. Marcanti-toren. De molen is een Rijksmonument en niet meer bedrijfsmatig in gebruik. De molen wordt nog wel gebruikt om hout te zagen, omdat het voor het behoud van de molen van belang is dat deze regelmatig kan draaien. Met het draaien van de molen worden materiaaltechnische, cultuurhistorische, toeristische en educatieve belangen gediend.

Uit de stukken blijkt dat een aantal onderzoeken is uitgevoerd naar de gevolgen van hoogbouw op de windsituatie in de omgeving; daarbij is gewerkt met een maquette van de omgeving, waarin de in het bestemmingsplan voorziene hoogbouw is verwerkt, evenals andere hoge gebouwen in de omgeving.

Gelet hierop acht de Afdeling niet aannemelijk dat deze onderzoeken zodanige gebreken of leemten in kennis vertonen dat GS zich hierop bij het nemen van het bestreden besluit niet had mogen baseren. Weliswaar zal de beoogde hoogbouw effect hebben op het windklimaat op enige afstand van de toren, maar nog steeds zal sprake zijn van een acceptabel windklimaat. Ook het functioneren van de molen zal worden beïnvloed, maar de afname van het aantal mogelijke draaiuren van de molen als gevolg van de Marcanti-toren is relatief gering.

De Afdeling is daarom van oordeel dat GS bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het algemeen belang dat is gediend bij voldoende woningen en voorzieningen, dan aan de belangen van molen De Otter. Daarbij neemt zij mede in aanmerking dat de molen niet bedrijfsmatig in gebruik is en aannemelijk is dat andere oplossingen denkbaar zijn voor de achteruitgang in de windsituatie, waaronder de aanstelling van meer molenaars.

 

Terug naar vorige pagina