MOLENBIOTOOP
Geef molens de ruimte
 
 

Over de verplaatsing van molens

Voor het intreden van de eerste Monumentenwet in 1960 waren molenverplaatsingen een veelvoorkomend verschijnsel. Molens waren werktuigen die, wanneer zij ergens niet meer nodig waren, elders in het land een tweede leven begonnen. Dit was mogelijk omdat molens als ‘bouwpakket’ gemakkelijk in- en uit elkaar gehaald konden worden en in onderdelen te vervoeren waren. Zo werden bij het droogmalen van de Schermer diverse molens naar een gunstiger plek verplaatst om daar mee te helpen aan het leegmalen van de droogmakerij. Zo kregen ook diverse industriemolens uit de Zaanstreek een nieuw leven in het oosten van het land omdat de industrialisatie daar pas veel later op gang kwam.

Tegenwoordig liggen de zaken anders. De Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschappen en Monumentenzorg (RACM) verleent alleen een vergunning tot verplaatsing indien er sprake is van een zeer dwingende reden. Het streven is in principe altijd om een molen op zijn oorspronkelijke plaats en in zijn cultuurhistorische context te handhaven. Daarbij wordt naar oplossingen gezocht om een aanvaardbare windvang veilig te stellen.

Toch kunnen beslissingen van overheidswege ertoe leiden dat een molen verplaatst moet worden. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan de aanleg van de HSL en de Betuwelijn. En de ontwikkeling van een bedrijventerrein nabij Rijnsburg (Zuid-Holland) leidde ertoe dat de poldermolen Hoop Doet Leven 2000 meter werd verplaatst. Nu functioneert hij weer, als onderdeel van de Elsgeesterpolder. Ook stedelijke uitbreidingen hebben ertoe bijgedragen dat molens verplaatst moesten worden. Ook bij de aanleg van een Vinex-wijk bij Nieuwegein werd de omgeving van de molen dusdanig aangetast dat een verplaatsing onontkoombaar was. De Stichting Molens de Lege Midden heeft zich met succes verzet tegen plannen van de landinrichtingscommissie tot verplaatsing van de Borgmolen bij Grouw.

Indien besloten wordt om een bestaande molen te verplaatsen (zie voorbeelden 15, 17 en 18), moet altijd aan enkele voorwaarden worden voldaan:

  1. De nieuwe omgeving dient te voldoen aan de cultuurhistorische context waarin het type molen kan functioneren.
  2. De windvang dient juridisch, bijvoorbeeld door een molenbeschermingszone, te zijn veiliggesteld.
Vroeger werd, ook door de RACM, aan dit tweede punt weinig aandacht besteed (zie de voorbeelden 17 en 18). Tegenwoordig stelt ook de RACM deze eis voordat tot verplaatsing mag worden overgegaan, zoals bijvoorbeeld bij de verplaatsing van de poldermolen van Wandenoyen.

 

Terug naar vorige pagina