MOLENBIOTOOP
Geef molens de ruimte
 
 

Het bestemmingsplan in de oude Wet Ruimtelijke Ordening

In het bestemmingsplan is vastgelegd wat er in een gebied mag worden gebouwd (hoogte, oppervlakte, plaats) en waarvoor grond en gebouwen gebruikt mogen worden. Dat laatste is van belang in verband met mogelijke beplanting. Het is dus zaak er goed op te letten dat het bestemmingsplan voor het gebied rond een molen regels geeft die de hoogte van bebouwing en beplanting beperken, zoveel als nodig en mogelijk is. Zoveel als nodig is voor de windvang van en het vrije zicht op de molen. Zoveel als mogelijk is, rekening houdend met andere belangen.

De belangenafweging hoeft een molenorganisatie niet zelf te maken, dat is de taak van het gemeentebestuur. Het is echter niet verstandig en niet redelijk om net te doen alsof er geen andere belangen in het spel zijn. Wat er al is kan men via een nieuwe bestemmingsregeling niet zomaar ongedaan maken. Er is bij zaken die reeds bestaan sprake van verkregen rechten.

Voor alles geldt, dat wat men in goed overleg kan regelen vaak het best in stand blijft. Vergeet niet dat formele regelingen wel nodig zijn om als het niet anders kan zaken af te kunnen dwingen of tegen te kunnen houden, maar ook om zaken die in goed overleg tot stand gekomen zijn vast te leggen en officieel te maken.

De molenbeschermingszone

Molenorganisaties en -eigenaren kunnen het best proberen een molenbeschermingszone in het bestemmingsplan opgenomen te krijgen. Dit is een zone rond een molen met een straal van doorgaans 400 meter, waarin beperkende bepalingen voor de hoogte van bebouwing en beplanting gelden. (Indien de molen minder dan 400 meter van de rand van het bestemmingsplan is gelegen, dient de beschermingszone ook in het aangrenzende bestemmingsplan te worden opgenomen.)

Idealiter wordt in het bestemmingsplan een molenbeschermingszone opgenomen. Dit is echter niet altijd het geval. De door de molenbeschermer gewenste voorschriften in het bestemmingsplan voor de molen zullen evenwel hetzelfde zijn, ongeacht of deze als molenbeschermingszone gedefinieerd zijn.

Bepalingen over bebouwing en gebruik zijn neergelegd in de bij een bestemmingsplan behorende voorschriften. Een molenbeschermingszone wordt ook in zo’n voorschrift geregeld, meestal als een aanvullende bepaling. De zone moet ook op de plankaart worden aangegeven. Dat laatste is belangrijk, want dan kan de behandelende gemeenteambtenaar meteen zien dat hier aanvullende bepalingen gelden. Een standaardtekst voor een molenbeschermingszone vindt u hier.

De hoogte van de bebouwing

In de planvorming wordt altijd (dus ook buiten een eventuele molenbeschermingszone) de toelaatbare hoogte van bebouwing geregeld, waarbij eventueel wordt verwezen naar de aanduidingen op de plankaart. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen goothoogte en nokhoogte. De nokhoogte, ook wel bouwhoogte genoemd, is in verband met de molen natuurlijk de belangrijkste. Die hoogte moeten we toetsen aan wat volgens de normen van De Hollandsche Molen toelaatbaar is, rekening houdend met de afstand tot de molen. Indien de goothoogte is vermeld, is de vorm van het huis boven die goot uiterst belangrijk. Men plaatst er een royale mansardekap op en er is opeens een verdieping bij gekomen.

De regeling van de beplantingshoogte

De hoogte van beplanting wordt lang niet altijd in het bestemmingsplan geregeld. Dat is een groot gemis. In veel situaties wordt meer hinder van beplanting ondervonden dan van bebouwing. We moeten er dus op letten dat dit wel wordt geregeld, door het opnemen van een aanlegvergunningenstelsel of door gebruiksregels. Om extra procedures te voorkomen verdient het laatste vaak de voorkeur, maar niet altijd.
Denk erom dat het bij dit onderdeel niet alleen gaat om bomen langs wegen en in tuinen of om traditionele bossen. Onder agrarische bestemmingen is het vaak ook mogelijk productiebos te planten. Dicht bij de molen moet dit worden uitgesloten.

Vrijstellings- en wijzigingsbevoegdheden

Een laatste onderdeel dat expliciet moet worden genoemd zijn de vrijstellings- en wijzigingsbepalingen in het bestemmingsplan. In elk plan zijn regels opgenomen over de manier waarop B&W van het bestemmingsplan vrijstelling mogen verlenen of het plan mogen wijzigen. Daar moet kritisch naar worden gekeken, want op die manier kan er onverhoeds nog van alles worden toegelaten. Wanneer zoiets aan de orde is binnen een molenbeschermingszone zouden B&W verplicht moeten zijn om, voorafgaande aan toepassing van hun bevoegdheden, advies te vragen aan een erkende molenorganisatie. Dat kan een plaatselijke of regionale molenorganisatie zijn, of bij uitzondering De Hollandsche Molen.

Herziening van de bestemmingsplannen

Als een bestemmingsplan wordt opgesteld of herzien, wat in principe eenmaal in de tien jaar dient te gebeuren, is het verstandig tijdig mee te denken en te proberen een molenbeschermingszone te laten opnemen. Het college van Burgemeester en Wethouders is verantwoordelijk voor de voorbereiding van het bestemmingsplan. In de voorbereiding bestaan mogelijkheden tot inspraak.

Wat zijn de mogelijkheden om veranderingen in het voorgenomen bestemmingsplan te bewerkstelligen nadat B&W het ontwerp-bestemmingsplan hebben vastgesteld? Daartoe bestaan drie mogelijkheden: bij de gemeenteraad, bij Gedeputeerde Staten en bij de Raad van State. Maar let op: men kan van de provinciale en landelijke procedure alleen gebruik van maken indien op ieder lager niveau binnen de gestelde termijn de wensen kenbaar zijn gemaakt! Wie niet tijdig reageert, verliest bij hogere instanties elke mogelijkheid tot het indienen van bedenkingen of het instellen van beroep.

Voordat het plan door de gemeenteraad kan worden vastgesteld, moet het in ieder geval ter visie worden gelegd. Die tervisielegging duurt vier weken en moet tevoren in de lokale pers worden bekendgemaakt. Gedurende die periode kan elke burger en rechtspersoon zijn gemotiveerde zienswijze bij de gemeenteraad kenbaar maken, ook als hij niet aan de inspraak heeft deelgenomen.

Bedenkingen bij Gedeputeerde Staten en beroep bij de Raad van State

Indien de gemeenteraad een ingediende zienswijze niet overneemt, kunnen bedenkingen bij het college van Gedeputeerde Staten (G.S.) van de provincie worden ingediend. Dit kan alleen wanneer de zienswijzen tijdens de tervisielegging bij de gemeenteraad zijn ingediend. Ook het uiten van bedenkingen bij G.S. moet gebeuren in de vier weken dat het raadsbesluit ter visie ligt. Ook die tervisielegging wordt via de krant bekendgemaakt.
Levert ook deze stap niet het gewenste resultaat, dan bestaat nog de mogelijkheid beroep in te stellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dat beroep moet worden ingesteld tijdens de termijn van zes weken waarin het besluit van G.S. ter visie ligt, weer na bekendmaking in de pers. Tegen onthouding van goedkeuring kan weer iedereen in beroep gaan.

Let op: Als niet tijdens de beroepstermijn bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak een verzoek om voorlopige voorziening (schorsing) is ingediend, treedt het besluit van G.S. daags na afloop van de termijn in werking. Dat betekent, dat er op grond van het bestemmingsplan gebouwd en geplant kan worden. Hier valt niets aan te doen, zelfs niet wanneer men later alsnog gelijk krijgt. Het zal niet de eerste keer zijn dat in beroep de molenbelangen alsnog worden erkend.

Een beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak is overigens niet gratis. Voor het eigenlijke beroep en voor het aanvragen van een voorlopige voorziening moet apart worden betaald.

Voor de molenbescherming is het belangrijk dat er jurisprudentie wordt opgebouwd waarmee soortgelijke gevallen in de toekomst bestreden kunnen worden. Houd altijd een goed dossier bij en meld uitspraken in procedures bij voorkeur aan De Hollandsche Molen en aan de provinciale molenvereniging. Van daar kan de informatie dan weer breder worden verspreid.

Hier vindt u een voorbeeld van de standaardteksten van de molenbiotoop in het bestemmingsplan met de daarbij behorende toelichting.

Tips bij het schrijven van een bezwaarschrift.

 

Terug naar vorige pagina