MOLENBIOTOOP
Geef molens de ruimte
 
 

Noodzaak van een goede watertoevoer

Een watermolen is afhankelijk van de aanwezigheid van stromend water. Hierbij spelen twee aspecten een belangrijke rol: de hoeveelheid water, én het verval (hoogteverschil) dat bij de molen bereikt kan worden. De hoeveelheid stromend water en de regelmaat waarmee het door het jaar heen beschikbaar is, hangen af van de gesteldheid van het terrein, het reliëf en de grootte van het stroomgebied dat op de molenbeek afwatert.

Afhankelijk van de watertoevoer en het verval werden er verschillende soorten waterraderen geïnstalleerd. Watermolens worden zodoende in vier typen ingedeeld:

  1. bovenslagmolen, klein rad, diameter 2 tot 5 meter.
    • Vanuit een stuwvijver wordt het water via een goot boven het waterrad geleid. Het rad draait door het gewicht van het vallende water.

  2. middenslagmolen, middelgroot rad, diameter 5 tot 7 meter.
    • Het water wordt tegen het midden van het rad geleid. Het waterrad draait door het gewicht en door de stroomsnelheid van het vallende water.

  3. onderslagmolen, groot rad, diameter tot 9 meter.
    • Het rad wordt uitsluitend door de stroomsnelheid voortbewogen.
  4. turbinemolen.
    • Via een stelsel van geleidekanalen wordt de turbine (een in het horizontale vlak draaiend waterrad) door de stroomsnelheid van het water aangedreven. In het begin van de vorige eeuw verving de turbine bij moderniseringen het oude verticale waterrad.

Wordt de loop van een beek verlegd, dan komt de molen aan de voormalige beekloop uiteraard stil te staan. Maar van oudsher bouwde men ook molens op plaatsen waar de watertoevoer ternauwernood voldoende was. Vooral bij boven- en middenslagmolens vindt men om die reden stuwvijvers of wijers, waarin het water werd opgespaard. Zo had men steeds voor een beperkte tijd wél voldoende water om te malen. Vaak is de watertoevoer in de loop der tijd verder afgenomen. Molenbeschermers stellen zich in dergelijke gevallen tot doel de watertoevoer en –opslag zo te regelen, dat de molen tenminste twee uur per dag kan malen.

Niet alleen een minimale watertoevoer, maar ook een zeker verval dient gehandhaafd te worden. Het verval werd soms kunstmatig verhoogd door een stuw in het water te plaatsen. Zo krijgt het water voldoende snelheid om het rad in beweging te zetten. Wordt het stuwpeil verlaagt, bijvoorbeeld omdat de stuwen in het kader van beeknormalisaties verdwijnen, dan verliest de watermolen zijn maalfunctie.

Het komt het steeds vaker voor dat de beekjes die een stuwvijver van water moeten voorzien, steeds minder water aanvoeren als gevolg van verdergaande bebouwing, infrastructuur en de aanleg van riolering. Zo heeft bijvoorbeeld het op grote schaal onttrekken van het bodemwater uit de Veluwerand Arnhem-Apeldoorn-Hattem als gevolg gehad dat de vele watermolens, die aan lagen, droog kwamen te staan en werden afgebroken. Met behulp van enkele formules kan men berekenen hoe groot de watertoevoer en de opslagcapaciteit van de wijer moet zijn om de molen draaiende te kunnen houden.

Is de watertoevoer niet geheel gestopt dan kan, indien de ruimte dit toelaat, de stuwvijver eventueel worden vergroot. Stuwvijvers slibben echter snel dicht. Regelmatig uitdiepen is dan ook noodzakelijk. Het is een van de terugkerende aandachtspunten bij het onderhoud van de molenomgeving. Verder dienen, om op een verantwoorde wijze bij een molen te kunnen stuwen zonder wateroverlast te veroorzaken, de afslagtak en de daarbij behorende stuwen te worden gehandhaafd. Het gebruik van het water in een beek en het recht om dit op te stuwen is van oudsher geregeld met water- en stuwrechten.

 

Terug naar vorige pagina