MOLENBIOTOOP
Geef molens de ruimte
 
 

Bebouwing

De meest voorkomende bedreigingen, zowel in en rond stedelijke gebieden als bij dorpsuitbreidingen, zijn hoge gebouwen zoals woonflats, kantoren en bedrijfshallen. Deze nemen de molen letterlijk de wind uit de zeilen. Zo kan het gebeuren dat een poldermolen nu midden in een stadswijk staat en naast een sterk verminderde windvang door de visuele aantasting van de molenomgeving ook de belevingswaarde sterk is gedaald. Het probleem van te hoge bebouwing is dat deze windturbulentie veroorzaakt, een snelle variatie in windsnelheid, en door de onregelmatige windstoten een schadelijke uitwerking op de molen heeft. Het is lastiger met de molen werken en de kwaliteit van het product komt in het geding. Door de ongelijke belasting op het wiekenkruis treedt verhoogde slijtage op aan het gaande werk. In het ergste geval kan dit leiden tot het breken van een roede of de askop. Dit levert een gevaarlijke situatie op en leidt meestal tot nog grotere schade aan het molenlichaam.

Bepalingen over bebouwing en gebruik zijn neergelegd in de planvoorschriften die bij het bestemmingsplan horen. Hierin wordt duidelijk aangegeven waar welk soort bebouwing mag staan. Vaak worden hierbij de maximale goot- en nokhoogten aangegeven. Indien in het bestemmingsplan een molenbeschermingszone is opgenomen, zal het duidelijk zijn dat de maximale toegestane nokhoogten van de bebouwing op verschillende afstanden van de molen volgen uit de biotoopformule. Moleneigenaren worden tegenwoordig steeds vaker geconfronteerd met het aanbod om de negatieve effecten op de molenbiotoop af te kopen.

De verandering van de molenbiotoop geeft soms ook aanleiding tot veranderingen aan de molen zelf. Dijkverhogingen of nieuwe bebouwing waren en zijn regelmatig aanleiding tot ophoging van een molen. Soms gebeurt dat door de molen als het ware op een voetstuk te plaatsen, zoals de molen van Waardenburg. Soms door de molen zelf te verhogen, zoals de molen Edens te Winschoten.

 

Terug naar vorige pagina