MOLENBIOTOOP
Geef molens de ruimte
 
 
De methode Laméris en het Actueel Hoogtebestand Nederland: de kwaliteit van de biotoop digitaal in kaart gebracht

Een goede inventarisatie maken van mogelijk hinderlijke objecten rondom een molen is een omvangrijke en lastige klus. Afstanden en hoogtes van soms een groot aantal objecten moeten in kaart worden gebracht en getoetst aan de biotoopnormen. Gedeeltelijke automatisering van dit proces kan meer grip geven op de problemen die rond een molen spelen. Bovendien maakt een dergelijke methode het mogelijk om de biotoop van verschillende molens in een gebied objectief met elkaar te vergelijken. Zo kan worden bepaald, welke molens extra aandacht behoeven.

De meest veelbelovende methode in dit verband is de ‘methode Laméris’, die is gebaseerd op het zogenaamde Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Dit bestaat uit landelijk dekkende hoogtegegevens die tegen vergoeding online te bestellen zijn. Tijdens zijn studie geo-informatiekunde kwam Evert-Jan Laméris, zelf vrijwillige molenaar, met deze informatie in aanraking. Hij benutte als eerste de informatie van het AHN voor het inventariseren van de kwaliteit van de molenbiotopen in Drenthe. De methode, die vervolgens ook voor alle molens in Noord-Holland is toegepast, werkt als volgt. Rondom elke molen wordt met behulp van gegevens uit het AHN een zone van 400 meter in kaart gebracht. De hoogtegegevens tonen de aanwezigheid van hoge objecten, zoals bomen en bebouwing, die windhinder veroorzaken. De hoogtegegevens in de molenbiotoop worden geanalyseerd met behulp van de biotoopformule. Hierbij wordt ook gebruik gemaakt enkele belangrijke kenmerken van de molen (wieklengte en eventuele stellinghoogte). De analyse leidt tot een kaart met daarop de hoogtemetingen die de biotoopnorm overschrijden. De mate van overschrijding is ernstiger naarmate een gemeten obstakel verder boven de biotoopnorm uitsteekt. De ernst van de overschrijding wordt door kleuren gevisualiseerd. De gegevens worden vervolgens geordend in sectoren (50x50 meter), waarbij het hoogste gebouw of de hoogste boom maatgevend is voor de kwaliteit van een sector. Voor de acht hoofdwindrichtingen kan een score worden bepaald. Hiertoe worden de afzonderlijke scores van de sectoren in de acht hoofdwindrichtingen gecategoriseerd en bij elkaar opgeteld.

De methode Laméris is een grote stap vooruit, omdat deze tot een objectieve beoordeling leidt die de biotoop van molens onderling vergelijkbaar maakt. Een definitieve beoordeling is echter nooit mogelijk zonder een beoordeling op de traditionele manier ‘in het veld’. Tot slot dienen de waarderingen daarom vergeleken te worden met beoordelingen die op traditionele wijze door molenaars of biotoopwachters zijn gemaakt. Hierbij wordt in het veld in de acht hoofdwindrichtingen bekeken en bij voorkeur ook met foto’s vastgelegd, welk soort obstakels zich rond de molen bevinden. Het AHN maakt hier namelijk geen onderscheid in. Ook de zeer belangrijke invloed van obstakels op de belevingswaarde is alleen in het veld te beoordelen.

De methode Laméris kan ook behulpzaam zijn om al op voorhand relatief eenvoudig het effect van een nieuwbouwproject of de aanleg van groenvoorzieningen te bepalen. Bij een eventuele verplaatsing van de molen kan zo vooraf de te verwachten kwaliteit van de biotoop worden ingeschat. Op termijn is het doel om van elke windmolen in Nederland de beschermingszone op deze wijze vast te leggen en de informatie voor beheersdoeleinden bruikbaar te maken.

Via de linkadressen vindt u nadere informatie over de methode Laméris.

 

Terug naar vorige pagina