MOLENBIOTOOP
Geef molens de ruimte
 
 
Noodzaak van een goede windvang

Om een molen goed (en veilig!) te kunnen laten draaien, is een onbelemmerde aan- en afvoer van wind van vitaal belang. Bovendien laten molenaars hun molen doorgaans niet alleen draaien: er wordt ook daadwerkelijk mee gemálen. Om de molenstenen aan te drijven, of om water op te pompen, heeft de molen een bepaald vermogen nodig. Een geringe afname van de windsnelheid heeft al een fors verlies aan vermogen tot gevolg. Tien procent minder wind resulteert in ruim 25 procent afname van het maalvermogen! Minstens zo problematisch is, dat de wind als gevolg van obstakels turbulenter wordt: er ontstaan meer vlagen en windstiltes. Dit veroorzaakt een ongelijke belasting van het wiekenkruis. De molen gaat ongelijkmatig lopen, wat het malen vrijwel onmogelijk maakt. Ook leidt het tot een verhoogd risico op breuk van de bewegende onderdelen in de molen. Bij een korenmolen resulteert een onregelmatige gang bovendien in meel van slechte kwaliteit. Uit veiligheidsoverwegingen is het van belang dat de molenaar tijdens het malen onbelemmerd zicht heeft op de hemel. Hij moet naderende buien en veranderingen in de wind tijdig kunnen opmerken, om het draaien van de wieken daarop aan te passen.

Voeg bij dit alles, dat de invloed die een obstakel op de wind heeft in de hoogte reikt tot twee keer de obstakelhoogte over een afstand van tientallen malen de obstakelhoogte. Het zal daarmee duidelijk zijn dat een molen behoorlijk wat ruimte nodig heeft om in bedrijf te kunnen blijven.

 

Terug naar vorige pagina